In Collapse, een recent en geroemd boek over de ondergang van de Sovjet-Unie in 1991, poneert historicus Vladislav Zubok de stelling dat de socialistische staat gered had kunnen worden als partijleider Gorbatsjov de noodzakelijke hervormingen met harde hand top-down zou hebben afgedwongen en niet had gekozen voor perestrojka en glasnost van onderop. Hubert Smeets vraagt zich af of deze Kremlin-centrische benadering wel adequaat is.

Klimov Gorbachev 1990
Michaïl Gorbatsjov in het Russische parlement, 1990. Foto Oleg Klimov.

door Hubert Smeets

‘Wie is er schuldig?’ is een gevleugelde vraag in Rusland. Sinds Alexander Herzen in 1847 de gelijknamige roman publiceerde, weet de gemiddelde Rus vaak meteen wat het beste antwoord is: niet hij/zijzelf is schuldig, maar de ander is dat. Die reflex is niet verwonderlijk in een land waar de publieke ruimte aan de basis meestentijds door de wereldlijke heersers boven wordt gemonopoliseerd en waar maatschappelijke verandering en zelfs revoluties daarom niet zelden van bovenaf worden georkestreerd.

Die verticale machtsconcentratie heeft logischerwijs ook gevolgen voor de politieke geschiedschrijving in Rusland. Die draait doorgaans meer om de centrale regering dan om de samenleving. De historicus, die zich focust op het machtscentrum in Sint-Petersburg respectievelijk Moskou en de rest van het land laat voor wat het is, spot dan ook niet met de moderne methodologische eisen die het vak stelt. Wat er gebeurt in Vladivostok of Astrachan is van belang voor regionale, sociale en culturele studies, maar minder relevant voor de politieke en staatkundige historiografie. Met een Moskouse bril naar het verleden kijken is daarom geen al te ouderwetse benadering in het grootste land ter wereld.

Maar er zijn grenzen. In welke mate mag de geschiedschrijver de ogen gesloten houden voor maatschappelijke en regionale onderstromen buiten het centrum van de macht? Hoever kan het Kremlin-centrisme gaan zonder als verklaringsmodel ongeloofwaardig te worden?

Die vraag dringt zich op na lezing van Collapse. The fall of the Soviet-Union van de Russische historicus Vladislav Zubok. In dit boek, dat eind 2021 verscheen bij de dertigste sterfdag van de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken (USSR), bedrijft Zubok klassieke politieke geschiedschrijving. Hij concentreert zich op de centrale macht in Moskou. Na een minutieuze studie van de handel en wandel in en rond het Kremlin is zijn antwoord op de vraag wie er verantwoordelijk is voor de ondergang van het Sovjetrijk, dat zich uitstrekte van Vilnius, Brest en Lviv tot Tbilisi, Tasjkent en Vladivostok, glashelder. Niemand anders dan de partijleider/president, die na 1985 verantwoordelijk was voor de perestrojka en de glasnost, is volgens Zubok de hoofdschuldige.

Zhivago’s children

Zubok is een gelauwerd historicus die in de jaren negentig in het Westen ging werken en sinds 2013 hoogleraar is aan de London School of Economics.

Enkele jaren eerder had hij faam verworven met Zhivago’s Children. The Last Russian Intelligentsia (2009). In deze studie schetst hij het politiek-intellectuele klimaat meteen na de dood van Jozef Stalin in 1953. Zubok beschrijft in Zhivago's Children dat het denkend deel der natie al heel snel in de ruimte dook die onder het driemanschap na Stalin open kwam te liggen. Hij concludeert vervolgens dat de geheime rede van eerste secretaris Nikita Chroesjtsjov op het twintigste partijcongres van 1956 de culminatie van de dooi was en niet het startpunt, kortom, dat Chroesjtsjov min of meer codificeerde wat in de drie jaar daarvoor maatschappelijk was gegroeid.

In 2007 waagde hij zich aan een veel recentere geschiedenis: de onttakeling van de Sovjet-Unie. In A failed empire. The Soviet Union in the cold war from Stalin to Gorbachev (2007) presenteerde Zubok een boeket aan structurele én persoonlijke verklaringen voor de ondergang van het Sovjetrijk. De communistische ideologie was rond 1990 op sterven na dood, zowel onder de sovjet-burgers als binnen de heersende elite. Niemand kon meer weerstand bieden aan de westerse lokroep van democratie en modernisering. ‘In plaats van terug te vechten, pleegde het Sovjetimperium, misschien wel het vreemdste imperium in de moderne geschiedenis, zelfmoord’, aldus Zubok in zijn slotoordeel.

KlimovMissKazan
Westerse invloeden. Verkiezingen Miss Kazan anno 1990. Foto Oleg Klimov.

In Collapse. The fall of the Soviet-Union keert hij terug naar dit thema. Maar nu tapt hij uit een ander vaatje. De welhaast suïcidale imperial overstretch, waarmee de USSR kampte, is niet langer de hoofdmoot van zijn onderzoek. Zubok zoekt nu het antwoord op enkele vierkante kilometers rond het Kremlin. Op basis van staats- en privéarchieven, primaire monografieën van tijdgenoten, secondaire studies, gepubliceerde dagboeken, ongepubliceerde memoires en oral history schetst hij nauwgezet de teloorgang van een rijk dat in 1945 in het zenit van zijn macht stond maar veertig jaar later economisch aan de grond zat en daarom broodnodig moest worden hervormd.

Tijdgenoot blikt nu heel anders terug

Zubok was er indertijd zelf bij. Hij werd geboren in 1958. De jaren tachtig waren ook voor hem in meerdere opzichten een bepalend decennium. Zijn Chroesjtsjov/Brezjnev generatie was de eerste lichting die Jozef Stalin alleen van horen zeggen kende. Ze was opgegroeid in een samenleving die niet meer permanent in staat van (politieke) mobilisatie verkeerde maar zich voorzichtig ging gedragen naar een consumptiemaatschap, waar mensen van een eigen woning, ijskast, televisie en zelfs auto mochten gaan genieten.

Stammend uit een intellectueel elitegezin in Moskou – zijn opa was de grondlegger van de Amerikanistiek in de Sovjet-Unie, zijn vader een televisiester – hoorde Zubok zelf tot de hoofdstedelijke jeunesse dorée tijdens de ‘stagnatie’ onder Brezjnev. Hij was een lotgenoot van de twintigers die in 1982 opgelucht ademhaalden toen Joeri Andropov op autoritaire wijze een einde leek te gaan maken aan de verkalkte partijcultuur en die drie jaar later ronduit enthousiast werden toen Gorbatsjov met zijn wat democratischer hervormingsproject begon.

Maar nu, drie decennia later, oordeelt Zubok meedogenloos over de partijleider die dacht met perestrojka en glasnost de Sovjet-Unie te kunnen hervormen.

Klimov WitteHuis augustus 1991
Barricade voor het Witte Huis, in 1991 de regeringszetel van president Jeltsin te Moskou. Foto Oleg Klimov. 
 

Geen misverstand. De historicus denkt niet dat de USSR door een westers complot kapot is gegaan, zoals menig poetinist dezer dagen in Rusland graag rondbazuint. Dat er in de jaren tachtig iets moest gebeuren, betwist Zubok evenmin. De Sovjeteconomie alleen al was in zo’n deplorabele staat, dat de concurrentie met het Westen niet meer was vol te houden.

Dat lag in belangrijke mate aan de politieke dementie van de oude mannen in het Kremlin. Het land moest inderdaad op de schop. Voormalig staatsveiligheids-chef Andropov wist dat heel goed, toen hij in 1982 secretaris-generaal Brezjnev opvolgde. Maar hij kon het vliegwiel niet echt in beweging krijgen, mede omdat hij te vroeg stierf. 

Achter dat excuus kon Gorbatsjov zich niet verschuilen, toen hij de leiding in 1985 overnam van Konstantin Tsjernenko. Gorbatsjov had volgens Zubok de draad van de KGB’er Andropov gewoon weer moeten oppakken en niet moeten gaan experimenteren met hybride hervormingen die van bovenaf werden afgekondigd maar bottom-up moesten worden uitgewerkt. Nee, Gorbatsjov had voor een voortzetting van Andropovs top-downpolitiek moeten kiezen. Want wat stond hem eigenlijk in de weg, vraagt Zubok. Gorbatsjov had onbekommerd gebruik kunnen maken van de vertrouwde Sovjet-instituties, die tot het einde toe opmerkelijk stevig bleken, en ook van het partijkader, dat al lang de noodzaak van hervormingen onderkende én loyaal was.

Met verlicht despotisme, zonder culturele glasnost, had er van de perestrojka iets terecht kunnen komen.

Het toppunt van zijn falen was dat hij ruimte gaf aan een nationalisme dat de multiculturele unie ondergroef. Eerst maakten machtshongerige opportunisten en demagogen in de niet-Russische deelrepublieken zich voor eigen gewin meester van nationalistische sentimenten, daarna zag ook Boris Jeltsin zijn kans schoon. Met name dit niet per se authentieke nationalisme in Rusland zelf en Oekraïne was beslissend, betoogt Zubok. Dit zou, mede dankzij allerlei politieke en vooral economische flaters, het uiteindelijke doodvonnis voor de Sovjet-Unie worden.

‘De Sovjet-Unie werd het slachtoffer van een perfecte storm en een ongelukkige kapitein’, zo begint Zubok zijn verwoestende conclusies. Er was volgens hem binnen de elites van de CPSU en de KGB namelijk best steun voor hervormingen in kapitalistische richting, zoals in de jaren negentig onder Jeltsin zou blijken. Als Gorbatsjov deze elites tot ‘stakeholders’ van de perestrojka had gemaakt, zou de grote Sovjet-Unie nog hebben bestaan, suggereert Zubok in het slothoofdstuk.

In Moscow.Photo by Oleg Klimov/FotoLoods
Oproerpolitie in Moskou. Foto Oleg Klimov.

Lof alom

Zubok is na het verschijnen alom geroemd voor Collapse. Sergey Radchenko, ook een Russische historicus die in belangrijke mate is gevormd in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, schreef in een recensie voor de website Engelsberg Ideas dat Zubok een ‘zeer dappere positie’ inneemt door zich terecht te keren tegen ‘het overheersende westerse verhaal dat de ondergang onvermijdelijk was omdat de Sovjet-Unie een niet te hervormen monstrum was.’ Het boek leest als een ‘persoonlijke tocht’, meent Radchenko, als een ‘dialoog tussen de hoopvolle jonge Zubok en de andere Zubok die dertig jaar later terugreist langs het verraderlijke pad van de tijd’.

De jonge Russische politicoloog Maksim Samoroekov loofde het boek op de website van Carnegie Moscow als een 'onpartijdige analyse' op basis van 'gezond verstand'. De Amerikaanse journalist Christopher Caldwell (1962) zette Zuboks analyse van het Russische nationalisme in een breder licht door de opkomst van het Russische nationalisme aan Gorbatsjov te wijten. ‘Vaak is het onbedoelde effect van overbezorgdheid jegens minderheden dat de meerderheidsidentiteiten worden versterkt of zelfs worden opgeroepen waar ze nooit hebben bestaan’, schreef hij in American Affairs. Voormalig Moskou-correspondent en historicus Michel Krielaars gaf het boek in een recensie voor NRC Handelsblad vier ballen op een schaal van vijf. ‘Als je Zuboks boek uit hebt, besef je hoe symbolisch het was dat op Gorbatsjovs begrafenis Novaja Gazeta-hoofdredacteur Dmitri Moeratov vooropliep in de rouwstoet met een portret van de voormalige Sovjetleider, die zijn inmiddels verboden krant financierde. Op dat moment werd het laatste restje vrijheid in Rusland ten grave gedragen.’

De meeste critici noemen Collapse een ‘rijk’ boek. Rijk is het zeker. Tussen juni 1990 en juni 1993 heb ik als correspondent voor de (Nederlandse) krant NRC Handelsblad in Moskou gewoond en gewerkt. Alleen al daarom heb ik bij het lezen van Zubok menig déjà-vu gehad, afgewisseld met momenten van kleinere of grotere schaamte over mijn eigen blinde vlekken toen en nu. Sommige gebeurtenissen, die Collapse de revue passeren, heb ik indertijd namelijk zelf verslagen, andere heb ik indertijd compleet over het hoofd gezien of kan ik nu pas dankzij Zubok beter interpreteren. Enkele incidenten heb ik wel zelf gadegeslagen, zoals de bestorming van het partijgebouw van de CPSU vier dagen na de coup tegen Gorbatsjov waarover Zubok met groot vertoon vertelt. Die oploop op het Oudeplein in Moskou op vrijdag 23 augustus 1991 was in mijn waarneming echter eerder potsierlijk dan serieus.

Ouderwets uitgangspunt

Ondanks deze rijkdom is Collapse ook een problematisch boek. Dat komt door het ouderwetse historiografische uitgangspunt van Zubok. Hij heeft gekozen voor een strikt politieke geschiedschrijving met Moskou als hét middelpunt van alles.

Daar is op zichzelf iets voor te zeggen. In het centralistische ‘administratieve commandosysteem’ van de Sovjet-Unie leidden alle wegen immers naar Moskou. Wie in die stad de macht had, had de macht in het land.

Maar hoeveel focus op het Kremlin is nog aanvaardbaar? In de jaren tachtig werd immers steeds duidelijker dat de machtsbalans aan het verschuiven was, zoals Zubok notabene zelf illustreert in een passage over het hard neergeslagen nationalistisch studentenoproer in Alma-Ata nadat Gorbatsjov in 1986 de Kazachse partijsecretaris uit de Brezjnevtijd verving door een Rus uit zijn eigen stal. Zubok behandelt de lokale voedingsbodem van dit protest echter amper. Voor hem is belangrijker dat de betogingen in Kazachstan een ‘alarmbel’ voor het Politbureau in Moskou zijn.

Allerlei autonome sociale, culturele, demografische, economische, ja, zelfs politieke processen op grotere afstand van het Kremlin komen in Collapse mager aan bod. Hierdoor blijft de lezer bijvoorbeeld in het ongewisse over de toch relevante vraag welke betekenis die regionale ontwikkelingen hebben gehad op de perestrojka die in de hoofdstad werd uitgedokterd.

Met andere woorden: in het boek ontbreekt de dynamiek van het multiculturele rijk, dat Sovjet-Unie ontegenzeggelijk ook was. Zubok schildert de samenleving drie decennia na de dood van Stalin nog steeds af als een homogene veelvolkerenstaat waarin de imperiale erfenis is opgelost.

Moscow. Kremlin. The last day of Sakharov's life.14.12.1989.Photo by Oleg Klimov/FotoLoodsklimov@nrc.nl
Andrej Sacharov, 1989. Foto Oleg Klimov

Zubok doet dat omdat hij volgens mij uitgaat van de vanzelfsprekendheid dat de Sovjet-Unie een staatkundige eenheid was die door het Russische volk werd gedomineerd. Historisch gezien is de Sovjet-Unie niet veel meer dan een verschijningsvorm van het aloude Russische Imperium. Dat dit rijk in de loop der eeuwen via (militaire) onderwerping tot stand was gekomen en dat dit imperialisme na de dekolonisatie in de tweede helft van de twintigste eeuw mondiaal zijn beste tijd had gehad, krijgt wellicht daarom minder aandacht.

Als Zubok er al een licht op laat schijnen, is het meestal om te benadrukken dat de nationale oprispingen een politiek gevaar voor Moskou zijn. Vandaar dat hij, bijna opzichtig, voorbijgaat aan het werk van de etnograaf Galina Starovojtova. Deze Petersburgse dissidente politica bekommerde zich om een verstandige ‘nationaliteitenpolitiek’ in de Sovjet-Unie en Rusland en werd in 1998 om nooit opgehelderde redenen door een voormalige agent van de militaire inlichtingendienst GROe vermoord. Zubok memoreert Starovojtova vooral wanneer ze Gorbatsjov kritiseert en waarschuwt voor al te grote haast bij de ontmanteling van de unie. Haar veelvuldige pleidooien om de nationaal-culturele bewegingen echt serieus te nemen krijgen amper aandacht.

Nationalisme als alibi

Deze Slavische tunnelvisie leidt ertoe dat er volgens Zubok tijdens de perestrojka maar twee regio’s zijn in de Sovjet-Unie die waarachtige buitenbeentjes mochten zijn: de drie Baltische landen en West-Oekraïne, de gebieden die de Sovjet-Unie na 1939 dankzij het ‘duivelspact’ (het Molotov-Ribbentrop-pact) met Hitler-Duitsland had kunnen bezetten. In alle andere regio’s van de Sovjet-Unie is nationalisme of lokaal patriottisme in Collapse niet veel meer dan een uiting van opportunistische machtswil van lokale elites. Of het nu gaat om de anti-Armeense pogroms in Azerbeidzjan, een bloedig neergeslagen nationalistische demonstratie in de Georgische hoofdstad Tbilisi of een confiscatieplan van de Tataarse partijchef Mintimer Sjamijev  binnen Rusland zelf, Zubok beoordeelt dit soort separatisme primair als pogingen van de lokale leiders om hun eigen ‘etno-nationale kaart’ te spelen.

De vraag of er door de Russische taalpolitiek of ander centralistisch verheffingsbeleid in de Sovjetjaren wellicht opnieuw een voedingsbodem was ontstaan voor een ‘nationalistische furie’, zoals de auteur het kwalificeert, is ondergeschikt belang. Zelfs het nationale elan in Oekraïne is volgens Zubok amper meer dan een politiek marketing-instrument voor de ambitieuze tweederangs partijbons Leonid Kravtsjoek.

Dat geldt ook voor het Russische nationalisme, dat in zijn ogen pas een politieke factor wordt als Boris Jeltsin zich erover gaan ontfermen. Zubok ziet scherp dat het eerst en vooral Rusland is geweest dat in 1990 een einde heeft gemaakt aan de Sovjet-Unie door de eigen wetten boven die van de USSR te stellen en een jaar later ook nog eens een eigen president (Jeltsin) te kiezen. Maar Zubok waardeert dit Russische nationalisme vooral als een politiek instrument voor Jeltsin en niet als een authentieke maatschappelijke beweging met wortels in de samenleving. Het gewone volk stond erbij en keek ernaar.

Dat lokaal patriottisme voor plaatselijke elites een middel was, is op zichzelf geen opmerkelijke constatering. Ook het nationalisme in Midden- en Oost-Europa in de negentiende eeuw, dat binnen Rusland door de tsaar hardhandig werd onderdrukt, werd toen in eerste instantie vooral werd gedragen door de sociaal-culturele bovenlagen in Polen, Finland, Oekraïne Hongarije, Tsjechië, Servië et cetera. Nationalisme is vaker in de geschiedenis een dalend cultuurgoed geweest. Maar net zoals ten tijde van de romantiek in de negentiende eeuw betekende dit ook in de jaren tachtig niet per se dat het ten tijde van Gorbatsjov geen zelfstandige factor was. Zubok negeert de autonomie van de nationale (res)sentimenten zoveel mogelijk.

Klimov Massabegrafenis Armeni
Begrafenis na aardbeving in Armenië, 1988. Foto Oleg Klimov.

Dat zou niet erg zijn als hij zijn positie openlijk zou hebben benoemd, maar dat doet de auteur niet. Zubok ontpopt zich zo als een hoofdstedelijke intellectueel die niet eens wil weten dat hij geen oog heeft voor het ommeland.

Niet alleen de authentieke betekenis van de nationale ambities van de volkeren in de Sovjet-Unie worden in Collapse gebagatelliseerd, ook andere maatschappelijke onderstromen komen er bekaaid af. Zubok schetst de stemmingswisselingen in het land bijna altijd als een reactie op de politieke machinaties aan de top, zelden als een zelfstandige kracht aan de basis waarop het Kremlin wel moest anticiperen. Niet toevallig besteedt Zubok weinig aandacht aan het sociologisch onderzoek, een tak van wetenschap die in de Sovjet-Unie altijd als potentieel volksvijandig was gezien maar in de late jaren van Brezjnev en vooral onder Gorbatsjov een vlucht had genomen.

Tatjana Zaslavskaja (1927_2013) en Joeri Levada (1930-2006), pioniers van de late (sovjet)Russische sociologie, komen alleen in het boek voor als ze zich direct met de politiek bemoeien. Hun vakgenoot en filosoof Boris Groesjin (1929-2007), die al ten tijde van Chroesjtsjov en Brezjnev in opdracht van de partij voorzichtig experimenteerde met publieke opiniepeilingen, duikt nergens op, hoewel zijn reeks De vier levens van Rusland veel statistisch materiaal over het klimaat tijdens Chroesjtsjov, Brezjnev, Gorbatsjov en Jeltsin te bieden zou hebben gehad.

Altijd top down, nooit bottom up

Ook de economische ontwikkelingen beziet Zubok zo. Dat de Sovjet-Unie in de jaren tachtig de boot van de derde, computergestuurde, industriële revolutie aan het missen was, staat ook voor hem vast. Dat het ‘administratieve commandosysteem’ niet meer in staat was om de consumptieve behoeften van de burgers te bevredigen, is een feit. Maar als de noodzakelijke correcties daarop aan de orde komen, behandelt Zubok ze vanuit de optiek van de oude planeconomie.

Wat je er boven in stopt, komt er aan de onderkant uit, is zijn remedie, mits je het goede plan hebt, uiteraard. Want aan een goed plan ontbrak het Gorbatsjov volgens de historicus. Nog erger was het dat hij op de keper beschouwd ook niet luisterde naar de adviseurs Nikolaj Petrov en Grigori Javlinski, de enige serieuze economen in zijn omgeving.

Nu was Gorbatsjov inderdaad een ijdele en ook naïeve politicus uit de klassieke leninistische school die van politici eiste dat ze de werkelijkheid via superieure analyses en briljante trucs naar hun hand zetten. Maar dat Gorbatsjov moest opereren in een economische omgeving met meer variabelen dan constanten en dat elke interventie daarom meerdere tegenstrijdige effecten had, kan Zubok niet milder stemmen. Dat zijn besluit om privécoöperatieven mogelijk te maken binnen het strikte nog stalinistische monetaire bestel zou leiden tot een fatale vermenging van fictief geld in de boekhouding van het Staatsplanbureau en echt geld op de markten op straat en dus tot fatale inflatie, dat had de partijleider volgens Zubok moeten voorzien.

Die hiërarchische benadering komt voort uit Zuboks visie op de politiek in de Sovjet-Unie. Hij ziet politiek vooral als top-downinstrument en nauwelijks als articulatie van maatschappelijke machtsverhoudingen. Regionale leiders, religieuze organisaties, burgerlijke verenigingen, culturele clubs: ze bestaan in de geschiedschrijving van Zubok wel, maar ze doen er op de keper beschouwd niet bijster veel toe.  In zijn perspectief hadden de machthebbers in het Kremlin het in eigen hand of ze linksaf, rechtsaf of rechtdoor gingen. Ze konden vrijelijk tussen de verschillende opties kiezen en vervolgens, desnoods met geweld, een draagvlak in de samenleving afdwingen.

Putch-1.Moscow.9.1991.Boris Yeltsin say:It's a tima of victory.Photo by Oleg Klimov/FotoLoods
President Jeltsin na de mislukte coup, augustus 1991. Foto Oleg Klimov

Maar wat zou er van zo’n autoritair hervormingsbeleid terecht zijn gekomen? Door de stelligheid van zijn these dat Gorbatsjovs wankelmoedige alternatief een misverstand was, zou Zubok in dit geval, bij wijze van verificatie, niet hebben mogen terugdeinzen voor een beetje what-if-history. Hij brandt er zijn vingers er helaas niet aan. Of de maatschappij zo’n Aziatische koers zou hebben omarmd en gevolgd, laat Zubok daarom liever grotendeels buiten beschouwing.

Ook de vraag of er anno 1985 in het veelvolkerenrijk überhaupt zoiets als een Sovjetsamenleving bestond, komt niet aan bod. De Sovjet-Unie is de norm, de deelrepublieken en regio’s zijn daarvan slechts afgeleiden. Hetzelfde geldt voor de bewoners van dat rijk. Het idee dat de homo Sovieticus niet alleen een onderdaan en voetvolk is voor politieke leiders, die verlegen zitten om een achterban, maar mogelijk ook een (vrije) burger, komt niet op. Laat staan dat Zubok de vraag behandelt waarop een Aziatische perestrojka had kunnen uitdraaien in een land dat ook onderdeel denkt uit te maken van de Europese beschaving. 

Hard maar beperkt vonnis

Deze centralistische en politieke kijk op de (Sovjet)Russische geschiedenis leidt na 500 pagina's onvermijdelijk tot het oordeel dat Gorbatsjov de hoofddader in de sluipmoord op de Sovjet-Unie is geweest. Het bevredigt echter niet. Het vonnis, hoe hard en duidelijk ook, baseert zich weliswaar op veel feiten in en rond het Kremlin, maar gaat voorbij aan de omstandigheden buiten Moskou.

Zubok verklaart uitstekend de uitgewoonde politieke cultuur van de Sovjet-Unie, maar analyseert niet waarom de Sovjet-Unie na haar ontmanteling in 1991 ook sociaal, economisch en cultureel uiteenrafelde. Nergens werkt hij de vraag uit of de Sovjet-Unie als uitvloeisel van het Russische Rijk niet haar langste tijd had gehad, net als de andere koloniale imperia in Europa.

Wie met dit vonnis voor ogen naar Ruslands oorlog tegen Oekraïne kijkt, staat dan ook voor een raadsel. Hoe kan het dat een soevereine staat, waar het nationalisme dertig jaar geleden volgens Zubok niet veel meer was dan een alibi voor povere politici die meer macht wilden, zich nu ineens massaal én militair teweerstelt tegen Moskou? Collapse geeft helaas geen antwoord. Mocht de centralistisch Russische Federatie na een militair en (geo)politiek debacle in Oekraïne in eigen huis geconfronteerd worden met net zulke centrifugale krachten als de Sovjet-Unie destijds, ook dan biedt het boek van Zubok geen begin van een verklaring.

Zubok zelf verklaart zijn eigen Werdegang als een logisch gevolg van zijn professionalisme. Een historicus moet afstand durven nemen. Bij mij schoot na lezing echter een befaamde uitspraak van de communistische filosoof en historicus Michail Pokrovsky (1868-1932) te binnen: ‘geschiedenis is hedendaagse politiek geprojecteerd op het verleden’.  Want Collapse lijkt meer vanuit de kennis van nu dan vanuit de geschiedenis zelf te zijn geschreven: alsof Poetins almacht nu onvermijdelijke gevolg is van Gorbatsjovs fiasco in de Sovjet-Unie in de jaren tachtig van de 20ste eeuw en niet het resultaat van politieke keuzes in het Rusland van de 21ste eeuw. Zubok roept mooie en pijnlijke herinneringen op aan het perestrojka-project van vier decennia geleden en wijst de dader(s) van de mislukking aan. Maar omdat hij willens en wetens blijft steken in puur politieke, rondom het Kremlin cirkelende, analyses, verklaart hij de bredere maatschappelijke context van dit soms grotesk falen per saldo onvoldoende. 

Collapse is daardoor eerst en vooral een nostalgisch boek.

ZubokWikimedia
Vladislav Zubok. Foto Wikimedia

Beknopte bibliografie Zubok

Collapse. The fall of the Soviet-Union.
Yale University Press (2021). € 23,99.
Zhivago's Children. The last Russian intelligentsia.
Harvard University Press (2009).  € 33,99.
Failed Empire. The Soviet Union in the Cold War from Stalin to Gorbachev.
University of North Carolina Press (2007). € 43,99.